Even sparren?

Voor welke (creatieve) uitdaging staat jouw organisatie? We bieden graag aan om eens een uurtje vrijblijvend te sparren. Kun je meteen beoordelen of Commond het bureau is dat jouw organisatie en uitdagingen begrijpt. Bel 076 - 530 24 30 en vraag naar John Brands of Martijn Schillemans. Maken we nog dezelfde week een afspraak, drinken we koffie (of iets anders) en weet je meteen of er een klik is.

Neem contact op!
 

Lang leve de lange zin

Lange teksten mogen weer. Althans, dat meen ik op te maken uit de opkomst van de term ‘longread’. Het ouderwetse leesverhaal, maar dan digitaal. Lezers hebben blijkbaar weer tijd voor tekst en een goed verhaal. Mag ik in het kielzog van deze trend een ander eerherstel bepleiten: dat van de lange zin?

Ook die zat de afgelopen jaren namelijk in het verdomhoekje. Online schrijfadviezen keurden ‘m vrijwel unaniem af. “Schrijvers van lange zinnen zijn luie schrijvers”, las ik ergens. Te lui om van één lange zin drie korte zinnetjes te maken. Een Brits bureau riep hoofdschuddend dat ze Charles Dickens als copywriter op staande voet zouden hebben ontslagen, wegens te lange zinnen. Als iets niet in één tweet past, ben je de lezer immers kwijt.

Aan dat soort generalisaties kleeft één groot bezwaar. Er ontstaat sluipenderwijs een tekstschrijversdogma: dat lang per definitie onleesbaar is. Er is – onvermijdelijk – ook al onderzoek naar gedaan. Meer dan 26 woorden is moeilijk te begrijpen, zo is berekend. Passeer je de 35 dan ben je gewoon pervers: dan wíl je blijkbaar niet eens begrepen worden.

Daar breng ik graag het volgende tegen in: 55 woorden (au!) van Remco Campert.

“Parijs was toen nog een sprookjesachtig décor voor onze liefde; later (we hebben er meer dan een jaar gewoond) werd dat décor werkelijkheid, kregen de huizen, de métro, de boulevards adem, werden de mensen van figuranten in een Middeleeuws liefdesspel tot levende sprekende wezens, waar we mee te maken hadden of we wilden of niet.”

Natuurlijk, het is literatuur, geen webtekst, advertentie of persbericht. Maar daar gaat het nu even niet over, de vraag is of de tekst leesbaar is. Spreek de tekst hardop uit en je hóórt dat ‘ie klopt. De hoofdgedachte is helder en staat vooraan, dus je hebt de kern snel te pakken. Als lezer kun je vervolgens met een gerust hart achterover leunen en de rest van de zin over je heen laten spoelen. De zin is lang maar elegant, zonder onnodige vulling of wolligheid.

Langezinnenhaters gruwen ongetwijfeld van de puntkomma en de passage tussen haakjes. Maar die staan daar niet voor niks. Een punt na ‘liefde’ zou te abrupt zijn, je wilt juist dat de lezer voorvoelt dat Parijs méér wordt dan een sprookjesachtig decor. En ‘later’ krijgt meer lading als je weet over hoevéél later we het hebben.

Nee, lang en leesbaar gaat prima samen, zolang je de zin maar zorgvuldig opbouwt. Als je dat doet, ben je juist geen luie schrijver. Wie lui is legt elke lange zin gewoon langs de meetlat en hakt ‘m klakkeloos in stukjes, zo moeilijk is dat nou ook weer niet.

Natuurlijk leent niet elke tekst zich voor lange zinnen. De moderne lezer is veel aan het scannen en dat vraagt om korte zinnen, bullets, kopjes en veel wit. Maar ook de scannende lezer eindigt nog wel eens bij een blog, column of interview, al dan niet voorzien van het etiket ‘longread’.

In zulke teksten mag een (heel) lange zin op zijn tijd best. Een natuurlijke afwisseling van korte en lange zinnen komt het ritme en de leesbaarheid van de tekst juist ten goede. Campert en zelfs Dickens kónden wel korte zinnen schrijven, als de beste zelfs. Maar ze wisten ook dat een korte zin méér effect heeft als je ‘m bewust inzet, in plaats van ‘m te laten ondersneeuwen in een onophoudelijk spervuur van staccato statements.

Daarom: lang leve de lange zin, ook in ‘functionele’ tekst. Mooi voorbeeld gezien? Stuur ‘m naar remco@commond.nl.

Reacties:

  • Dag Remco,

    Wat een fijn, tegendraads blog. Daar houd ik van. Inderdaad, lang en leesbaar gaan prima samen, zolang je de zin maar goed opbouwt, zoals in het citaat van Remco Campert.

    Ik heb er een van Gerard Reve (1923 – 2006). Duidelijk is dat hij weinig van Henry Miller (1891 – 1980, de ‘zwetsende zelfverheerlijker’) moet hebben:

    ‘Hoe ooit iemand de geschriften van deze zwetsende zelfverheerlijker ernstig heeft kunnen nemen is mij een raadsel, gezien de vervelende opendeurintrapperij en het losgeslagen kleinburgerdom, die er de grondslagen van vormen, alles vermengd met theosofie uit Westfriesland van 1910, en dan nog onverteerbaar slecht geschreven; zo zou ik het overjarig vitalisme van deze oude bosneuker willen omschrijven, die in zijn kruistocht tegen de bekrompenheid, zelve de vlees geworden geborneerdheid is’.

    (Reve, G. – Op weg naar het einde (1963) – uit Verzameld werk (1999), p. 31 – Amsterdam: L.J. Veen)

    ‘Op weg naar het einde’… ik kan dat boek blíjven lezen. Stilistisch briljante reisverslagen van de idiosyncratische Volksschrijver Reve. ‘Idiosyncratisch’ oftewel ‘met een eigen, afwijkend karakter’. Dat woord zet ik normaal gesproken nooit in een (web)tekst, maar bij jou durf ik dat wel. Taalliefhebbers onder elkaar.

    Succes verder en blijf vooral bloggen.

    Met vriendelijke groet,

    Owen van Oers

    PS: Mijn website verandert binnenkort van look, feel en naam. Die heet nu nog http://www.abovotekst.nl, maar wordt http://www.tekstbureauowen.nl .

    3 juni 2018 op 10:20

Plaats een reactie: